Paardrijden - Wedstrijd
- Paarden leid oefeningen
Paarden
leid oefeningen
Leidoefeningen:
het ontwikkelen van
een samenspel tussen mens en paard op de grond waarbij de communicatie
via
subtiele signalen verloopt tussen twee oplettende partners.
De
meeste natural
horsemanship methodes gaan er van uit dat een harmonieuze
samenwerking op
de grond het gevolg is van een goed verankerde dominantieverhouding
tussen mens
en paard.
De nadruk bij leidoefeningen ligt
op het
educatieve aspect:
Hoe
leer ik
mijn paard netjes aan het halster mee te lopen en naar fijne signalen
die
informatie bevatten over tempo en richting te luisteren. Een
vrijheidsdressuurpaard moet vanuit alle leidposities te leiden en te
beheersen
zijn om de trainer zo de benodigde flexibiliteit te geven bij het
aanleren van
oefeningen en om ongelukken te voorkomen.
De
leidposities
Het
paard
kan vanuit ontelbare posities door de mens geleid worden en
waarschijnlijk
hebben al die posities voor het paard een andere betekenis. In praktijk
kan het
werken met drie hoofdposities echter al een grote duidelijkheid
scheppen tussen
beide partijen. Omdat ze duidelijkheid scheppen over de richting en de
snelheid
van de beweging kunnen ze helpen bij het aanleren van fijnzinnige
halstertaal
aan het paard.
1.
Vóór het
paard
Je
kunt op
twee manieren vóór het paard lopen. In de eerste
plaats achterstevoren, met het
lichaam naar het paard gewend lopen, zodat je al zijn acties kunt
volgen. Ten
tweede kun je gewoon voor het hem uit lopen, met je rug naar het paard
gewend.
Hierbij zorg je er voor dat je enkele meters schuin voor het paard
loopt en je
de leidende hand met het halstertouw midvoor het paardenhoofd houdt.
Vanuit
deze positie kun je zijn reacties gemakkelijk in de gaten houden door
je hoofd
te draaien. Bovendien kun je jezelf op deze manier zonder al te veel
omhaal van
linksvoor naar rechtsvoor verplaatsen. Dit moet eigenlijk regelmatig
gebeuren
om te voorkomen dat het paard zich continu naar
één kant wendt.
2. Naast het hoofd
In
deze
positie loop je op een halve tot één meter naast
het paardenhoofd. Je kunt
daarbij net voor, naast of net achter het oog van het paard lopen.
Zeker in
deze positie is het belangrijk om regelmatig naar de andere kant van
het paard
te gaan om scheefheid bij het paard en jezelf tegen te gaan. Omdat je
naast het
hoofd loopt is het paard goed in de gaten te houden. Het draaien van
bochten
naar binnen wordt vergemakkelijkt, het bochten naar buiten draaien
zonder deze
positie te verliezen vereist echter enige handigheid omdat het paard
dan de
binnenbocht heeft. Het is dan verleidelijk om het paard een beetje in
de goede
richting te duwen. Dat zal echter weinig effect hebben omdat paarden op
druk
reageren met tegendruk.
3.
Naast de
schouder
Het
aan de
linkerkant naast de schouder van het paard meelopen is de klassieke
positie
waarin het paard aan het halster of hoofdstel wordt meegevoerd. Vanuit
deze
positie heeft de trainer aanvankelijk echter weinig te zeggen: doordat
het
hoofd vrij naar voren en opzij kan bewegen zonder daar een menselijk
obstakel
tegen te komen, raken veel paarden in de verleiding om dan zelf de
route en het
tempo te bepalen. Dit, gecombineerd met een trainer die het liefst het
veilige
gevoel van een strak gespannen halstertouw heeft, kan erg vervelend
worden als
jij, als toevallige omstander, gevraagd wordt eens zo'n paard vast te
houden en
plotseling alle hoeken van het erf voorbij ziet komen.
Het
trainen van leioefeningen
Het paard kan ongehinderd zijn hals naar voren strekken, maar hij moet
eerst
een paar meter naar voren afleggen voor hij zijn trainer ook mee kan
sleuren. En
dat zal hij in den beginne dan ook gemotiveerd proberen. Op het moment
dat je
voelt dat het paard in de eerste positie te dicht in de buurt komt, sla
je
meteen een andere richting in die bij voorkeur haaks op de voorgaande
richting
staat.
Door
deze
richtingsverandering krijgt het paard via het halstertouw een duidelijk
optisch
signaal over de nieuwe route. Bovendien werkt het halstertouw nu haaks
in op de
halswervels en zorgt, bij het opnemen ervan, voor een zijdelingse
buiging
waardoor het paard minder goed zijn gewicht tegen het touw kan
inzetten. Als
hij op deze signalen reageert door ook van richting te veranderen, komt
hij
automatisch weer achter je terecht zodat het doel is bereikt. Het van
richting
veranderen was een correctie van ongewenst gedrag (het inhalen) en moet
daarom
gevolgd worden door een beloning voor het goede gedrag (het volgen en
weer
afstand innemen).
Daarom
zeg je een duidelijk 'ho' terwijl je rustig
op het paard af stapt. Ook als het paard nog niet meteen halt houdt is
het
belangrijk om direct op hem af te lopen om zo een duidelijk stoppende
hulp te
zijn. Vervolgens beloon je hem met het beloningssignaal en een beetje
voedsel..